5. Judas vertrekt om Jezus Christus te verraden

Jezus dompelt het stukje brood en geeft het aan Judas, die vertrekt om Hem te verraden.

Matthew 26:21-25

21 En toen zij aten, zei Hij: Voorwaar, Ik zeg u dat een van u Mij zal verraden.

22 En zij werden zeer bedroefd en ieder van hen begon tegen Hem te zeggen: Ik ben het toch niet, Heere?

Wie de hand met Mij in de schotel indoopt, die zal Mij verraden.

23 Hij antwoordde en zei: Wie de hand met Mij in de schotel indoopt, die zal Mij verraden.

24 De Zoon des mensen gaat wel heen zoals over Hem geschreven is, maar wee die mens door wie de Zoon des mensen verraden wordt! Het zou goed voor die mens zijn als hij niet geboren was.

25 Judas, die Hem verraadde, antwoordde en zei: Ik ben het toch niet, Rabbi? Hij zei tegen hem: U hebt het gezegd.

John 13:18-32

18 Ik zeg dit niet van u allen; Ik weet wie Ik uitverkoren heb. Maar de Schrift moet vervuld worden: Wie Mijn brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij opgeheven.

19 Nu al zeg Ik het u voordat het gebeurt, opdat wanneer het gebeurt, u zult geloven dat Ik het Ben.

20 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als iemand hem ontvangt die Ik zal zenden, ontvangt hij Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij gezonden heeft.

De ontmaskering van Judas

21 Toen Jezus deze dingen gezegd had, raakte Zijn geest in beroering, en Hij getuigde en zei: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u dat een van u Mij zal verraden.

22 De discipelen dan keken elkaar aan, in twijfel over wie Hij dat zei.

23 En een van Zijn discipelen, die Jezus liefhad, lag aan in de schoot van Jezus.

24 Simon Petrus dan wenkte deze, dat hij vragen zou wie het toch zou kunnen zijn, over wie Hij sprak.

25 En deze ging tegen Jezus’ borst liggen en zei tegen Hem: Heere, wie is het?

26 Jezus antwoordde: Die is het aan wie Ik het stuk brood zal geven, nadat Ik het ingedoopt heb. En toen Hij het stuk brood ingedoopt had, gaf Hij het aan Judas Iskariot, de zoon van Simon.

Satan neemt bezit van Judas

27 En met het nemen van het stuk brood voer de satan in hem. Jezus dan zei tegen hem: Wat u wilt doen, doe het snel.

28 En niemand van hen die aanlagen, begreep met welke bedoeling Hij dat tegen hem zei.

29 Want sommigen dachten, omdat Judas de beurs beheerde, dat Jezus tegen hem zei: Koop wat wij nodig hebben voor het feest, of dat hij iets aan de armen moest geven.

30 Toen hij dan het stuk brood genomen had, ging hij meteen naar buiten. En het was nacht.

31 Toen hij dan naar buiten gegaan was. Toen zei Jezus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt.

32 Als God in Hem verheerlijkt is, zal God Hem ook in Zichzelf verheerlijken, en Hij zal Hem meteen verheerlijken.

Wordt vervolgd met: 6. Het eten van het gebroken ongezuurde brood

Overzicht: De Christelijke Pascha Ceremonie

Gods Feestdagen kalender

[Bijbelteksten zijn ontleend aan de Herziene Statenvertaling © 2010 Stichting HSV’] [Nadruk van ons.]